Vervoeging van taxeren


Nederlands

Frans

Onvoltooid tegenwoordige tijd

  • ik taxeer
  • jij taxeert
  • hij/zij/het taxeert
  • wij taxeren
  • jullie taxeren
  • zij taxeren

Présent

  • je taxe
  • tu taxes
  • il/elle taxe
  • nous taxons
  • vous taxez
  • ils/elles taxent

Onvoltooid verleden tijd

  • ik taxeerde
  • jij taxeerde
  • hij/zij/het taxeerde
  • wij taxeerden
  • jullie taxeerden
  • zij taxeerden

Indicatif imparfait

  • je taxais
  • tu taxais
  • il/elle taxait
  • nous taxions
  • vous taxiez
  • ils/elles taxaient

Voltooid tegenwoordige tijd

  • ik heb getaxeerd
  • jij hebt getaxeerd
  • hij/zij/het heeft getaxeerd
  • wij hebben getaxeerd
  • jullie hebben getaxeerd
  • zij hebben getaxeerd

Indicatif passé composé

  • j'ai taxé
  • tu as taxé
  • il/elle a taxé
  • nous avons taxé
  • vous avez taxé
  • ils/elles ont taxé

Voltooid verleden tijd

  • ik had getaxeerd
  • jij had getaxeerd
  • hij/zij/het had getaxeerd
  • wij hadden getaxeerd
  • jullie hadden getaxeerd
  • zij hadden getaxeerd

Indicatif plus-que-parfait

  • j'avais taxé
  • tu avais taxé
  • il/elle avait taxé
  • nous avions taxé
  • vous aviez taxé
  • ils/elles avaient taxé

Toekomende tijd I

  • ik zal taxeren
  • jij zult taxeren
  • hij/zij/het zal taxeren
  • wij zullen taxeren
  • jullie zullen taxeren
  • zij zullen taxeren

Indicatif futur

  • je taxerai
  • tu taxeras
  • il/elle taxera
  • nous taxerons
  • vous taxerez
  • ils/elles taxeront

Toekomende tijd II

  • ik zal getaxeerd hebben
  • jij zult getaxeerd hebben
  • hij/zij/het zal getaxeerd hebben
  • wij zullen getaxeerd hebben
  • jullie zullen getaxeerd hebben
  • zij zullen getaxeerd hebben

Indicatif futur antérieur

  • j'aurai taxé
  • tu auras taxé
  • il/elle aura taxé
  • nous aurons taxé
  • vous aurez taxé
  • ils/elles auront taxé

Conditionalis I

  • ik zou taxeren
  • jij zou taxeren
  • hij/zij/het zou taxeren
  • wij zouden taxeren
  • jullie zouden taxeren
  • zij zouden taxeren

Conditionnel présent

  • je taxerais
  • tu taxerais
  • il/elle taxerait
  • nous taxerions
  • vous taxeriez
  • ils/elles taxeraient

Conditionalis II

  • ik zou hebben getaxeerd
  • jij zou hebben getaxeerd
  • hij/zij/het zou hebben getaxeerd
  • wij zouden hebben getaxeerd
  • jullie zouden hebben getaxeerd
  • zij zouden hebben getaxeerd

Conditionnel passé (1ère forme)

  • j'aurais taxé
  • tu aurais taxé
  • il/elle aurait taxé
  • nous aurions taxé
  • vous auriez taxé
  • ils/elles auraient taxé

Imperatief

  • jij taxeer
  • jullie taxeert

Impératif

  • tu taxe
  • vous taxez

Verwijzingen

Bekijk 1 definitie(s) van taxeren