Vervoeging van verkeren


Nederlands

Frans

Onvoltooid tegenwoordige tijd

  • ik verkeer
  • jij verkeert
  • hij/zij/het verkeert
  • wij verkeren
  • jullie verkeren
  • zij verkeren

Présent

  • je concerne
  • tu concernes
  • il/elle concerne
  • nous concernons
  • vous concernez
  • ils/elles concernent

Onvoltooid verleden tijd

  • ik verkeerde
  • jij verkeerde
  • hij/zij/het verkeerde
  • wij verkeerden
  • jullie verkeerden
  • zij verkeerden

Indicatif imparfait

  • je concernais
  • tu concernais
  • il/elle concernait
  • nous concernions
  • vous concerniez
  • ils/elles concernaient

Voltooid tegenwoordige tijd

  • ik heb verkeerd
  • jij hebt verkeerd
  • hij/zij/het heeft verkeerd
  • wij hebben verkeerd
  • jullie hebben verkeerd
  • zij hebben verkeerd

Indicatif passé composé

  • j'ai concerné
  • tu as concerné
  • il/elle a concerné
  • nous avons concerné
  • vous avez concerné
  • ils/elles ont concerné

Voltooid verleden tijd

  • ik had verkeerd
  • jij had verkeerd
  • hij/zij/het had verkeerd
  • wij hadden verkeerd
  • jullie hadden verkeerd
  • zij hadden verkeerd

Indicatif plus-que-parfait

  • j'avais concerné
  • tu avais concerné
  • il/elle avait concerné
  • nous avions concerné
  • vous aviez concerné
  • ils/elles avaient concerné

Toekomende tijd I

  • ik zal verkeren
  • jij zult verkeren
  • hij/zij/het zal verkeren
  • wij zullen verkeren
  • jullie zullen verkeren
  • zij zullen verkeren

Indicatif futur

  • je concernerai
  • tu concerneras
  • il/elle concernera
  • nous concernerons
  • vous concernerez
  • ils/elles concerneront

Toekomende tijd II

  • ik zal verkeerd hebben
  • jij zult verkeerd hebben
  • hij/zij/het zal verkeerd hebben
  • wij zullen verkeerd hebben
  • jullie zullen verkeerd hebben
  • zij zullen verkeerd hebben

Indicatif futur antérieur

  • j'aurai concerné
  • tu auras concerné
  • il/elle aura concerné
  • nous aurons concerné
  • vous aurez concerné
  • ils/elles auront concerné

Conditionalis I

  • ik zou verkeren
  • jij zou verkeren
  • hij/zij/het zou verkeren
  • wij zouden verkeren
  • jullie zouden verkeren
  • zij zouden verkeren

Conditionnel présent

  • je concernerais
  • tu concernerais
  • il/elle concernerait
  • nous concernerions
  • vous concerneriez
  • ils/elles concerneraient

Conditionalis II

  • ik zou hebben verkeerd
  • jij zou hebben verkeerd
  • hij/zij/het zou hebben verkeerd
  • wij zouden hebben verkeerd
  • jullie zouden hebben verkeerd
  • zij zouden hebben verkeerd

Conditionnel passé (1ère forme)

  • j'aurais concerné
  • tu aurais concerné
  • il/elle aurait concerné
  • nous aurions concerné
  • vous auriez concerné
  • ils/elles auraient concerné

Imperatief

  • jij verkeer
  • jullie verkeert

Impératif

  • tu concerne
  • vous concernez