Vervoeging van verklikken

Onbepaalde wijs (infinitief): verklikken


Nederlands

Duits

Onvoltooid tegenwoordige tijd

  • ik verklik
  • jij verklikt
  • hij/zij/het verklikt
  • wij verklikken
  • jullie verklikken
  • zij verklikken

Präsens Indikativ

  • ich denunziere
  • du denunzierst
  • er/sie/es denunziert
  • wir denunzieren
  • ihr denunziert
  • sie denunzieren

Onvoltooid verleden tijd

  • ik verklikte
  • jij verklikte
  • hij/zij/het verklikte
  • wij verklikten
  • jullie verklikten
  • zij verklikten

Präteritum Indikativ

  • ich denunzierte
  • du denunziertest
  • er/sie/es denunzierte
  • wir denunzierten
  • ihr denunziertet
  • sie denunzierten

Voltooid tegenwoordige tijd

  • ik heb verklikt
  • jij hebt verklikt
  • hij/zij/het heeft verklikt
  • wij hebben verklikt
  • jullie hebben verklikt
  • zij hebben verklikt

Perfekt Indikativ

  • ich habe denunziert
  • du hast denunziert
  • er/sie/es hat denunziert
  • wir haben denunziert
  • ihr habt denunziert
  • sie haben denunziert

Voltooid verleden tijd

  • ik had verklikt
  • jij had verklikt
  • hij/zij/het had verklikt
  • wij hadden verklikt
  • jullie hadden verklikt
  • zij hadden verklikt

Plusquamperfekt Indikativ

  • ich hatte denunziert
  • du hattest denunziert
  • er/sie/es hatte denunziert
  • wir hatten denunziert
  • ihr hattet denunziert
  • sie hatten denunziert

Toekomende tijd I

  • ik zal verklikken
  • jij zult verklikken
  • hij/zij/het zal verklikken
  • wij zullen verklikken
  • jullie zullen verklikken
  • zij zullen verklikken

Futur I Indikativ

  • ich werde denunzieren
  • du wirst denunzieren
  • er/sie/es wird denunzieren
  • wir werden denunzieren
  • ihr werdet denunzieren
  • sie werden denunzieren

Toekomende tijd II

  • ik zal verklikt hebben
  • jij zult verklikt hebben
  • hij/zij/het zal verklikt hebben
  • wij zullen verklikt hebben
  • jullie zullen verklikt hebben
  • zij zullen verklikt hebben

Futur II Indikativ

  • ich werde denunziert haben
  • du wirst denunziert haben
  • er/sie/es wird denunziert haben
  • wir werden denunziert haben
  • ihr werdet denunziert haben
  • sie werden denunziert haben

Conditionalis I

  • ik zou verklikken
  • jij zou verklikken
  • hij/zij/het zou verklikken
  • wij zouden verklikken
  • jullie zouden verklikken
  • zij zouden verklikken

Futur I Konjunktiv II

  • ich würde denunzieren
  • du würdest denunzieren
  • er/sie/es würde denunzieren
  • wir würden denunzieren
  • ihr würdet denunzieren
  • sie würden denunzieren

Conditionalis II

  • ik zou hebben verklikt
  • jij zou hebben verklikt
  • hij/zij/het zou hebben verklikt
  • wij zouden hebben verklikt
  • jullie zouden hebben verklikt
  • zij zouden hebben verklikt

Futur II Konjunktiv II

  • ich würde denunziert haben
  • du würdest denunziert haben
  • er/sie/es würde denunziert haben
  • wir würden denunziert haben
  • ihr würdet denunziert haben
  • sie würden denunziert haben

Imperatief

  • jij verklik
  • jullie verklikt

Imperativ

  • du denunziere
  • ihr denunziert

Verwijzingen

Bekijk 1 definitie(s) van verklikken