Vertaling van call
I call
you call
we call
ik noem
jij noemt
wij noemen
» meer vervoegingen van noemen
I call
you call
we call
ik roep
jij roept
wij roepen
» meer vervoegingen van roepen
I call
you call
we call
ik bel op
jij belt op
wij bellen op
» meer vervoegingen van opbellen
I call
you call
we call
ik schreeuw
jij schreeuwt
wij schreeuwen
» meer vervoegingen van schreeuwen
convoceren
konvoceren
bijeenroepen
I call
you call
we call
ik schrijf uit
jij schrijft uit
wij schrijven uit
» meer vervoegingen van uitschrijven
I call
you call
we call
ik roep aan
jij roept aan
wij roepen aan
» meer vervoegingen van aanroepen
votum
oproeping
kreet
schreeuw
Voorbeelden in zinsverband
Call me!
Telefoneer mij!
May I call later?
Kan ik later terugbellen?
Call me tomorrow.
Bel me morgen.
They call him Jim.
Ze noemen hem Jim.
I'll call him tonight.
Ik zal hem vanavond bellen.
People call him Dave.
Mensen noemen hem Dave.
My friends call me Ken.
Mijn vrienden noemen me Ken.
That was a close call.
Dat scheelde maar een haartje!
Let me call my lawyer.
Laat mij mijn advocaat opbellen.
Why did you call me?
Waarom belde je me?
Where can I do a phone call?
Waar kan ik bellen?
Don't just stand there. Call security.
Blijf daar niet zo staan, bel de beveiliging!
Call me immediately after you meet him.
Bel me onmiddellijk nadat je hem hebt ontmoet.
We call New York the Big Apple.
Wij noemen New York "the Big Apple".
He will come if you call him.
Hij zal komen als ge hem roept.