Vertaling van name

Inhoud:

Engels
Nederlands
to call, to designate, to dub, to label, to name, to term {ww.}
noemen 
heten
benoemen 
uitmaken voor

I name
you name
we name

ik noem
jij noemt
wij noemen
» meer vervoegingen van noemen

They call him Jim.
Ze noemen hem Jim.
People call him Dave.
Mensen noemen hem Dave.
name {zn.}
naam [m] (de ~)
roep [m] (de ~)
faam [m] (de ~)
bekendheid [v] (de ~)
renommee
beroemdheid [v] (de ~)
vermaardheid
reputatie [v] (de ~)
My name is Henry.
Mijn naam is Henry.
My name is Hopkins.
Mijn naam is Hopkins.
fame, renown, kudos, name, repute {zn.}
beroemdheid  [v]
faam [v]
vermaardheid [v]
appellation, name, denomination {zn.}
benaming  [v]
naam
naamwoord
name {zn.}
naam [m] (de ~)
My name is Ludwig.
Mijn naam is Ludwig.
My name is Yatarou.
Mijn naam is Yatarou.
to diagnose, to name {ww.}
diagnostiseren

I name
you name
we name

ik diagnostiseer
jij diagnostiseert
wij diagnostiseren
» meer vervoegingen van diagnostiseren

to appoint, to constitute, to name, to nominate {ww.}
maken
benoemen
aanstellen
designeren
aanwijzen

I name
you name
we name

ik maak
jij maakt
wij maken
» meer vervoegingen van maken

to call, to name {ww.}
vernoemen

I name
you name
we name

ik vernoem
jij vernoemt
wij vernoemen
» meer vervoegingen van vernoemen

to appoint, to constitute, to name, to nominate {ww.}
opwerpen

I name
you name
we name

ik werp op
jij werpt op
wij werpen op
» meer vervoegingen van opwerpen

to advert, to bring up, to cite, to mention, to name, to refer {ww.}
noemen

I name
you name
we name

ik noem
jij noemt
wij noemen
» meer vervoegingen van noemen

to appoint, to constitute, to name, to nominate {ww.}
benoemen

I name
you name
we name

ik benoem
jij benoemt
wij benoemen
» meer vervoegingen van benoemen


Voorbeelden in zinsverband

Engels
Nederlands

My name is Henry.

Mijn naam is Henry.

My name is Jack.

Ik heet Jack.

My name is Hopkins.

Mijn naam is Hopkins.

My name is Wang.

Ik ben Wang.

My name is Ivan.

Ik heet Ivan.

I forgot his name.

Ik ben zijn naam vergeten.

My name is Ludwig.

Mijn naam is Ludwig.

My name is Yatarou.

Mijn naam is Yatarou.

What is your name?

Wat is je naam?

I know your name.

Ik weet wat jouw naam is.

My name is Yamada.

Mijn naam is Yamada.

My name is Farshad.

Mijn naam is Farshad.

My name is Andrea.

Ik heet Andrea.

What's your name?

Wat is je naam?

Can you remember his name?

Kun je je zijn naam herinneren?


Gerelateerd aan name

call - designate - dub - label - term - fame - renown - kudos - repute - appellation - denomination - diagnose - appoint - constitute - nominateposition - word - measure - work - determine - call - offer - account