Vertaling van speaking ,

Inhoud:

Engels
Nederlands
to speak, to talk {ww.}
spreken
praten 
Let's talk.
Laat ons praten.
Maybe we can talk.
Misschien kunnen we praten.
speaking, speech production {zn.}
meeting [m] (de ~)
oral presentation, public speaking, speaking, speechmaking {zn.}
declamatie [v] (de ~)
voordracht [m] (de ~)
to speak, to talk {ww.}
spreken
praten
hebben
converseren
We like to talk.
Wij praten graag.
Can we talk?
Kunnen we praten?
to speak, to talk {ww.}
spreken
Do you speak English?
Spreken jullie Engels?
He can speak French.
Hij kan Frans spreken.
to mouth, to speak, to talk, to utter, to verbalise, to verbalize {ww.}
verbaliseren


Voorbeelden in zinsverband

Engels
Nederlands

Speaking English isn't easy.

Engels spreken is niet makkelijk.

Speaking English is useful.

Engels spreken is nuttig.

Speaking English is difficult.

Engels spreken is moeilijk.

Speaking English is not easy.

Engels spreken is niet makkelijk.

Hello. This is Ogawa speaking.

Hallo. Hier spreekt Ogawa.

Who am I currently speaking to ?

Met wie spreek ik nu?

I'm not used to speaking in public.

Ik ben niet gewoon voor een publiek te spreken.

Speaking about trips, have you ever been to Kobe?

Over uitstapjes gesproken, ben je ooit in Kobe geweest?

How can I contact a Japanese-speaking doctor?

Hoe kan ik contact opnemen met een Japans sprekende dokter?

Frankly speaking, I think he's a good boss.

Eerlijk gezegd denk ik dat hij een goede baas is.

Speaking of foreign languages, do you speak French?

Over vreemde talen gesproken, spreek jij Frans?