Betekenis van:
zit

zit
Zelfstandig naamwoord
  • de daad van het (langdurig) zitten
"Zo'n vlucht naar de andere kant van de oceaan is een hele zit."
zit
Werkwoord
  • enkelvoud tegenwoordige tijd van zitten
zit
Werkwoord
  • gebiedende wijs enkelvoud van zitten

Werkwoord


Voorbeeldzinnen

  1. Hij zit aan tafel.
  2. Niemand zit hier.
  3. Ik zit vol!
  4. Je stropdas zit scheef.
  5. Zit je op Facebook?
  6. Bill zit in de redactie.
  7. Een watermeloen zit vol water.
  8. Deze wei zit vol kikkers.
  9. Tom zit onder een boom.
  10. Het heelal zit vol geheimen.
  11. Tom zit in de eetzaal.
  12. O, hier zit een vlinder!
  13. Zit je op de baseballclub?
  14. Mary zit bij het zwemteam.
  15. Tom zit vast in het verleden.