Betekenis van:
zitten
zitten
Werkwoord
- georganiseerd of gemaakt zijn
"hoe zit dat in elkaar?"
"kijk, dat zit zo, ..."
Hyperoniemen
zitten
Werkwoord
- van zaken: ergens zijn
"hij/'de bal' zit!"
"het er niet bij laten zitten"
Hyperoniemen
zitten
Werkwoord
- op je zitvlak rusten
"op een stoel zitten"
"gaat u zitten"
Synoniemen
Hyperoniemen
Hyponiemen
zitten
Werkwoord
- op het zitvlak rusten
"Ik heb lekker in het zonnetje gezeten."
zitten
Werkwoord
- zetelen, plaats genomen hebben
"Hij was gezeten op een troon van goud, versierd met diamanten."
zitten
Werkwoord
- duratief hulpwerkwoord
"Daar zit verandering in te komen."
zitten
Werkwoord
- opgesloten zitten; in de gevangenis straf ondergaan; gevangen zitten; gevangen zitten
"[acht jaar] moeten zitten"
Synoniemen
Hyperoniemen
Werkwoord
Voorbeeldzinnen
- Gaat u zitten.
- Ze zitten aan tafel.
- Zitten we in hetzelfde hotel?
- Dat liedje blijft in je hoofd zitten.
- Laten we op de bank zitten.
- Ik ging zitten en opende mijn laptop.
- Hoeveel leerlingen zitten er in jouw klas?
- U mag op de stoel gaan zitten.
- Wil je niet op mijn knie zitten?
- Gaat u maar zitten waar u maar wilt.
- Er zitten een paar fouten in uw compositie.
- Wie zijn billen brandt, moet op de blaren zitten.
- De broedhen heeft een week op de eieren zitten broeden.
- Men zegt dat er in dit bos spoken zitten.
- We waren zo opgewonden dat we niet stil konden zitten.