Betekenis van:
zitten

Werkwoord

zitten
op het zitvlak rusten
"Ik heb lekker in het zonnetje gezeten."
zitten
zetelen, plaats genomen hebben
"Hij was gezeten op een troon van goud, versierd met diamanten."
zitten
duratief hulpwerkwoord
"Daar zit verandering in te komen."
zitten
op je zitvlak rusten
"op een stoel zitten"
"gaat u zitten"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

zitten
aanraken
"aan iets/iemand zitten"

Hyperoniemen

zitten
piekeren over
"ergens mee zitten"

Synoniemen

Hyperoniemen

zitten
georganiseerd of gemaakt zijn
"hoe zit dat in elkaar?"
"kijk, dat zit zo, ..."

Hyperoniemen

zitten
van zaken: ergens zijn
"hij/'de bal' zit!"
"het er niet bij laten zitten"

Hyperoniemen

zitten
opgesloten zitten; in de gevangenis straf ondergaan; gevangen zitten; gevangen zitten
"[acht jaar] moeten zitten"

Synoniemen

Hyperoniemen

Werkwoord