Vervoeging van zitten


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik zit
    • jij zit
    • hij/zij/het zit
    • wij zitten
    • jullie zitten
    • zij zitten
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik zat
    • jij zat
    • hij/zij/het zat
    • wij zaten
    • jullie zaten
    • zij zaten
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb gezeten
    • jij hebt gezeten
    • hij/zij/het heeft gezeten
    • wij hebben gezeten
    • jullie hebben gezeten
    • zij hebben gezeten
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had gezeten
    • jij had gezeten
    • hij/zij/het had gezeten
    • wij hadden gezeten
    • jullie hadden gezeten
    • zij hadden gezeten
  • Toekomende tijd I

    • ik zal zitten
    • jij zult zitten
    • hij/zij/het zal zitten
    • wij zullen zitten
    • jullie zullen zitten
    • zij zullen zitten
  • Toekomende tijd II

    • ik zal gezeten hebben
    • jij zult gezeten hebben
    • hij/zij/het zal gezeten hebben
    • wij zullen gezeten hebben
    • jullie zullen gezeten hebben
    • zij zullen gezeten hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou zitten
    • jij zou zitten
    • hij/zij/het zou zitten
    • wij zouden zitten
    • jullie zouden zitten
    • zij zouden zitten
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben gezeten
    • jij zou hebben gezeten
    • hij/zij/het zou hebben gezeten
    • wij zouden hebben gezeten
    • jullie zouden hebben gezeten
    • zij zouden hebben gezeten
  • Imperatief

    • jij zit
    • jullie zit

Verwijzingen

Bekijk 6 definitie(s) van zitten