Betekenis van:
feestdagen

feestdag (de ~ | meervoud feestdagen)
Zelfstandig naamwoord
  • dag waarop feest gevierd wordt
"de tiende juni is voor hem in meer opzichten een feestdag"

Hyperoniemen

feestdag (de ~ | meervoud feestdagen)
Zelfstandig naamwoord
  • jaarlijks terugkerende erkende gedenkdag die gevierd wordt
"nationale feestdag"
"prettige feestdagen"

Hyperoniemen


Voorbeeldzinnen

  1. We heisen de vlaggen op feestdagen.
  2. feestdagen
  3. feestdagen— of
  4. Feestdagen en vrije dagen
  5. Vakantieverlof, buitengewoon verlof en feestdagen
  6. 's nachts, op zon- en feestdagen;
  7. Deze termijn omvat zaterdagen, zondagen en feestdagen.
  8. Artikel 20 - Feestdagen en vrije dagen
  9. feestdagen, zondagen en zaterdagen zijn bij de termijnen inbegrepen;
  10. De lijst van feestdagen wordt door de directeur vastgesteld.
  11. de arbeidstijd, overuren, pauzes, rusttijden, nachtarbeid, vakantie en feestdagen;
  12. Het Agentschap stelt een lijst van feestdagen op.
  13. een dag van maandag tot vrijdag, met uitzondering van officiële ECB-feestdagen; k)
  14. De feestdagen en vrije dagen van het gastland zijn ook vrije dagen bij het Instituut.
  15. werkdagen zijn alle dagen die geen feestdagen, zaterdagen of zondagen zijn.