Betekenis van:
dismal

dismal
Bijvoeglijk naamwoord
  • mismoedig; moedeloos; mistroostig; troosteloos
  • causing dejection
"the first dismal dispiriting days of November"

Synoniemen

Hyperoniemen

dismal
Bijvoeglijk naamwoord
  • ontmoedigen
  • causing dejection
"the first dismal dispiriting days of November"

Synoniemen

Hyperoniemen

dismal
Bijvoeglijk naamwoord
  • barmhartig; vol medeleven
  • causing dejection
"the first dismal dispiriting days of November"

Synoniemen

Hyperoniemen

dismal
Bijvoeglijk naamwoord
  • somber; zwaarmoedig; veel tobbend; somber, negatief; zwaarmoedig
  • causing dejection
"the first dismal dispiriting days of November"

Synoniemen

Hyperoniemen

dismal
Bijvoeglijk naamwoord
  • neerslachtig
  • causing dejection
"the first dismal dispiriting days of November"

Synoniemen

Hyperoniemen

dismal
Bijvoeglijk naamwoord
  • niet te troosten
  • causing dejection
"the first dismal dispiriting days of November"

Synoniemen

Hyperoniemen

dismal
Bijvoeglijk naamwoord
  • neerslachtig makend
  • causing dejection
"the first dismal dispiriting days of November"

Synoniemen

dismal
Bijvoeglijk naamwoord
  • somber, negatief
  • causing dejection
"the first dismal dispiriting days of November"

Synoniemen

Hyperoniemen

dismal
Bijvoeglijk naamwoord
  • onverbiddelijk; onvermurwbaar
  • causing dejection
"the first dismal dispiriting days of November"

Synoniemen

Hyperoniemen

dismal
Bijvoeglijk naamwoord
  • fel
  • causing dejection
"the first dismal dispiriting days of November"

Synoniemen

Hyperoniemen

dismal
Bijvoeglijk naamwoord
  • kniezerig
  • causing dejection
"the first dismal dispiriting days of November"

Synoniemen

Hyperoniemen