Betekenis van:
sprout

to sprout
Werkwoord
  • van bloemen; stilaan ontstaan
  • put forth and grow sprouts or shoots
"the plant sprouted early this year"

Synoniemen

Hyperoniemen

to sprout
Werkwoord
  • ontkiemen, kiemen, punten
  • produce buds, branches, or germinate
"the potatoes sprouted"

Synoniemen

Hyperoniemen

to sprout
Werkwoord
  • uitbotten, botten
  • produce buds, branches, or germinate
"the potatoes sprouted"

Synoniemen

Hyperoniemen

to sprout
Werkwoord
  • reidansen, reien
  • produce buds, branches, or germinate
"the potatoes sprouted"

Synoniemen

Hyperoniemen

to sprout
Werkwoord
  • uitlopen, uitschieten, schieten
  • produce buds, branches, or germinate
"the potatoes sprouted"

Synoniemen

Hyperoniemen

sprout
Zelfstandig naamwoord
    • a newly grown bud (especially from a germinating seed)

    Hyperoniemen

    Hyponiemen

    sprout
    Zelfstandig naamwoord
      • any new growth of a plant such as a new branch or a bud

      Hyperoniemen

      Hyponiemen