Betekenis van:
violet

violet
Bijvoeglijk naamwoord
  • blauwpaars
  • of a color intermediate between red and blue

Synoniemen

Hyperoniemen

violet
Bijvoeglijk naamwoord
  • paarsrood; donkerrood
  • of a color intermediate between red and blue

Synoniemen

Hyperoniemen

violet
Bijvoeglijk naamwoord
  • roodblauw gekleurd
  • of a color intermediate between red and blue

Synoniemen

Hyperoniemen

violet
Bijvoeglijk naamwoord
  • purperachtig
  • of a color intermediate between red and blue

Synoniemen

violet
Bijvoeglijk naamwoord
  • pimpelpaars, knalpaars
  • of a color intermediate between red and blue

Synoniemen

Hyperoniemen

violet
Bijvoeglijk naamwoord
  • paarsblauw
  • of a color intermediate between red and blue

Synoniemen

Hyperoniemen

violet
Bijvoeglijk naamwoord
  • paarsachtig
  • of a color intermediate between red and blue

Synoniemen

violet
Bijvoeglijk naamwoord
  • paarsrood
  • of a color intermediate between red and blue

Synoniemen

Hyperoniemen

violet
Zelfstandig naamwoord
  • blauwpaars
  • a variable color that lies beyond blue in the spectrum

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

violet
Zelfstandig naamwoord
  • kleur als menging van rood en blauw
  • a variable color that lies beyond blue in the spectrum

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

violet
Zelfstandig naamwoord
  • purperblauw
  • a variable color that lies beyond blue in the spectrum

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

violet
Zelfstandig naamwoord
  • pensee
  • a variable color that lies beyond blue in the spectrum

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen