Betekenis van:
Iris

iris (de ~ | meervoud irissen)
Zelfstandig naamwoord
  • gekleurde vlies met pupil in het oog; gekleurde deel v.d. oogbol
"zij heeft prachtige groene irissen"

Synoniemen

Hyperoniemen

iris
Zelfstandig naamwoord
  • een orgaan in het oog van vele organismen, waaronder de mens, dat als een diafragma werkt en de hoeveelheid tot het oog toegelaten licht regelt
iris
Zelfstandig naamwoord
  • een plant met een opvallende, vaak blauwe of gele bloem van het geslacht ''Iris''
iris
Zelfstandig naamwoord
  • een orgaan in het oog van vele organismen, waaronder de mens, dat als een diafragma werkt en de hoeveelheid tot het oog toegelaten licht regelt
iris
Zelfstandig naamwoord
  • een plant met een opvallende, vaak blauwe of gele bloem van het geslacht ''Iris''
Iris
Zelfstandig naamwoord
  • plant

Synoniemen

Hyperoniemen


Voorbeeldzinnen

  1. Iris, wat eet je meestal voor het ontbijt?
  2. Iris Florentina Root Extract is een extract van de gedroogde wortel van de Florentijnse iris, Iris florentina, Iridaceae
  3. Iris Versicolor Extract is een extract van de wortels van de Amerikaanse blauwe lis, Iris versicolor, Iridaceae
  4. de heer Hermann KUHN, Mitglied der Bremischen Bürgerschaft (Landtag), ter vervanging van mevrouw Iris SPIESS,
  5. verdere ontwikkeling en toepassing van het niet-taalgebonden systeem voor de automatische codering van doodsoorzaken (IRIS);