Betekenis van:
aanzien

aanzien
Zelfstandig naamwoord
  • hoe men door anderen gezien wordt
"Zijn aanzien liep daarmee een aardige deuk op."
aanzien
Zelfstandig naamwoord
  • voorkomen, reputatie, sociale status
"Door haar promotie kreeg Mieke een ander aanzien in het bedrijf."
aanzien
Zelfstandig naamwoord
  • achting
" Het bestuur wijzigde het beleid ten aanzien van de werknemers."
aanzien (het ~)
Zelfstandig naamwoord
  • achting; status t.o.v. anderen
"in aanzien [staan bij iemand]"
"hoog aanzien"

Synoniemen

Hyperoniemen

aanzien
Werkwoord
  • kijken naar
"Hij kon het niet meer aanzien."
aanzien
Werkwoord
  • ''~ voor'': beschouwen als
"Waar zie je me voor aan?"
aanzien
Werkwoord
  • dulden
"Ik heb het nog een tijdje aangezien, maar uiteindelijk ben ik er toch tegen opgetreden."
aanzien
Werkwoord
  • afwachten
"iets nog even aanzien"
"dat is niet om aan te zien"

Synoniemen

Hyperoniemen


Voorbeeldzinnen

  1. Al het onbekende wordt als wonderbaar aanzien.
  2. Niet opnieuw! Zie hoe die twee elkaar kussen. Ze staan echt in vuur en in vlam voor elkaar. Ik kan dit niet langer aanzien.
  3. ten aanzien van Portugal:
  4. ten aanzien van Cyprus:
  5. ten aanzien van Finland:
  6. ten aanzien van Nederland:
  7. ten aanzien van Malta:
  8. specificaties ten aanzien van treinen
  9. Grenskarakteristieken ten aanzien van airconditioning
  10. Ten aanzien van de instrumenten
  11. SPECIFICATIES TEN AANZIEN VAN TREINEXPLOITATIE
  12. SPECIFICATIES TEN AANZIEN VAN SPOORWEGPERSONEEL
  13. Beperking ten aanzien van procedures
  14. Eisen ten aanzien van remsystemen
  15. BEVINDINGEN TEN AANZIEN VAN TERPHANE