Betekenis van:
aanzien

aanzien
Zelfstandig naamwoord
  • hoe men door anderen gezien wordt
"Zijn aanzien liep daarmee een aardige deuk op."
aanzien
Zelfstandig naamwoord
  • voorkomen, reputatie, sociale status
"Door haar promotie kreeg Mieke een ander aanzien in het bedrijf."
aanzien
Zelfstandig naamwoord
  • achting
" Het bestuur wijzigde het beleid ten aanzien van de werknemers."
aanzien (het ~)
Zelfstandig naamwoord
  • achting; status t.o.v. anderen
"in aanzien [staan bij iemand]"
"hoog aanzien"

Synoniemen

Hyperoniemen

aanzien
Werkwoord
  • kijken naar
"Hij kon het niet meer aanzien."
aanzien
Werkwoord
  • ''~ voor'': beschouwen als
"Waar zie je me voor aan?"
aanzien
Werkwoord
  • dulden
"Ik heb het nog een tijdje aangezien, maar uiteindelijk ben ik er toch tegen opgetreden."
aanzien
Werkwoord
  • afwachten
"iets nog even aanzien"
"dat is niet om aan te zien"

Synoniemen

Hyperoniemen