Betekenis van:
afwisseling

afwisseling
Zelfstandig naamwoord
  • variatie.
"Je moet voor wat meer afwisseling in je leven zorgen."
afwisseling (de ~ | meervoud afwisselingen)
Zelfstandig naamwoord
  • variatie; afwisseling; soort; afwisseling
"voor de afwisseling"
"een leven zonder enige afwisseling"

Synoniemen

Hyperoniemen


Voorbeeldzinnen

  1. Afwisseling is prettig", "Verandering van spijs doet eten
  2. permanent in twee of meer lidstaten elkaar afwisselende werkzaamheden uitoefent, met uitzondering van marginale werkzaamheden, ongeacht de frequentie of het al dan niet regelmatige karakter van de afwisseling.
  3. Vissen dienen zoveel mogelijk te worden gehouden onder een passende licht-donkercyclus omdat de afwisseling tussen dag en nacht van invloed is op hun fysiologie en gedrag.
  4. Verpakking en plaatsing in kartons: De deelstukken moeten met zorg worden verpakt; ze worden in de lengte gelegd, de buitenkant naar boven gekeerd en met afwisseling van het dunne en het dikke uiteinde vooraan; zij mogen niet worden gevouwen.
  5. De Voorzitter verleent het woord, waarbij hij er zoveel mogelijk voor zorgt dat sprekers van verschillende politieke richting en in de verschillende talen bij afwisseling aan het woord komen.