Betekenis van:
akkoord

akkoord
Zelfstandig naamwoord
  • overeenkomst.
"Na lang onderhandelen was er eindelijk een akkoord bereikt."
akkoord (het ~ | meervoud akkoorden)
Zelfstandig naamwoord
  • samenklank
"een gebroken akkoord"
"een akkoord vormen"

Hyperoniemen

Hyponiemen

akkoord
Zelfstandig naamwoord
  • samenklank van minimaal 3 verschillende tonen
"De muzikant sloeg een akkoord aan op de piano."
akkoord (het ~ | meervoud akkoorden)
Zelfstandig naamwoord
  • afspraak
"een akkoord nakomen/naleven"
"een stilzwijgend akkoord"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen


Voorbeeldzinnen

  1. Ze zullen nooit akkoord gaan.
  2. Ik ga akkoord met het argument.
  3. Het kan me niet schelen of hij akkoord gaat of niet.
  4. Media-akkoord 1997-2000.
  5. Kosten sociaal plan buiten akkoord
  6. Schuld na het akkoord [8]
  7. er niet mee akkoord te gaan
  8. Het systeem voor energiestatistiek is grotendeels op een akkoord gebaseerd.
  9. Alle andere crediteuren stemden voor het voorgestelde akkoord.
  10. V. AKKOORD TUSSEN BDB, DE DEELSTAAT EN WESTLB
  11. Gezien het akkoord van het Hof van Justitie,
  12. Akkoord van 28 januari 1961 inzake de inning van socialezekerheidspremies.
  13. AKKOORD TUSSEN BDB, DE DEELSTAAT BERLIJN EN LBB
  14. Dit administratief akkoord treedt in werking op 1 januari 2005.
  15. Het geldt voor dezelfde periode als het Intern Akkoord.