Betekenis van:
akkoord
akkoord
Zelfstandig naamwoord
- overeenkomst.
"Na lang onderhandelen was er eindelijk een akkoord bereikt."
akkoord (het ~ | meervoud akkoorden)
Zelfstandig naamwoord
- samenklank
"een gebroken akkoord"
"een akkoord vormen"
Hyperoniemen
Hyponiemen
akkoord
Zelfstandig naamwoord
- samenklank van minimaal 3 verschillende tonen
"De muzikant sloeg een akkoord aan op de piano."
akkoord (het ~ | meervoud akkoorden)
Zelfstandig naamwoord
- afspraak
"een akkoord nakomen/naleven"
"een stilzwijgend akkoord"
Synoniemen
Hyperoniemen
Hyponiemen
Voorbeeldzinnen
- Ze zullen nooit akkoord gaan.
- Ik ga akkoord met het argument.
- Het kan me niet schelen of hij akkoord gaat of niet.
- Media-akkoord 1997-2000.
- Kosten sociaal plan buiten akkoord
- Schuld na het akkoord [8]
- er niet mee akkoord te gaan
- Het systeem voor energiestatistiek is grotendeels op een akkoord gebaseerd.
- Alle andere crediteuren stemden voor het voorgestelde akkoord.
- V. AKKOORD TUSSEN BDB, DE DEELSTAAT EN WESTLB
- Gezien het akkoord van het Hof van Justitie,
- Akkoord van 28 januari 1961 inzake de inning van socialezekerheidspremies.
- AKKOORD TUSSEN BDB, DE DEELSTAAT BERLIJN EN LBB
- Dit administratief akkoord treedt in werking op 1 januari 2005.
- Het geldt voor dezelfde periode als het Intern Akkoord.