Betekenis van:
beeldscherm

beeldscherm (het ~ | meervoud beeldschermen)
Zelfstandig naamwoord
  • scherm met afbeelding; beeldscherm; beeldscherm
"groot/klein beeldscherm"
"achter het beeldscherm zitten"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

beeldscherm
Zelfstandig naamwoord
  • een scherm waarop een beeld geprojecteerd wordt
"Het beeldscherm waar u nu naar kijkt wordt aangestuurd door uw computer of andere informatiedrager."

Voorbeeldzinnen

  1. Beeldscherm
  2. een beeldscherm;
  3. Slaapstand beeldscherm
  4. spellen met beeldscherm
  5. Kwikgehalte van het beeldscherm
  6. Tv-toestellen voor kleurenweergave, met beeldscherm
  7. andere, met een diagonaal van het beeldscherm
  8. geen ingebouwd beeldscherm voor "directe beeldvorming"; en
  9. De uitdrukking „plat beeldscherm” omvat geen kathodestraalbuistechnologie.
  10. een centrale verwerkingseenheid met toetsenbord, muis en beeldscherm (pc),
  11. waarvan de verhouding breedte/hoogte van het beeldscherm kleiner is dan 1,5 en met een diagonaal van het beeldscherm
  12. Kathodestraalbuis voor het weergeven van beelden in kleur, voorzien van een sleuvenmasker, een elektronenkanon en een afbuigjuk en met een breedte/hoogteverhouding van het beeldscherm van 4/3 en een diagonaal van het beeldscherm van 33,5 cm (± 1,6 mm) [1]
  13. Kathodestraalbuis voor het weergeven van beelden in kleur, voorzien van een sleuvenmasker, een elektronenkanon en een afbuigjuk en met een breedte/hoogteverhouding van het beeldscherm van 4/3 en een diagonaal van het beeldscherm van niet meer dan 42 cm
  14. De luminantie (E) van het beeldscherm, gemeten in uit-stand/stand-by-vermogen, mag hoogstens 1,0 lx bedragen.
  15. Geïntegreerde desktopcomputer een desktopsysteem waarbij computer en beeldscherm één eenheid vormen, met één kabel voor de netvoeding.