Betekenis van:
beet

beet (de ~ | meervoud beten)
Zelfstandig naamwoord
  • wondje door beet
"je moet de beet in schoon water wassen"
"een beet in [een arm]"

Hyperoniemen

Hyponiemen

beet
Zelfstandig naamwoord
  • een samenklemming tussen de kaken
"De beet van een dolle hond is een ernstige zaak."
beet
Zelfstandig naamwoord
  • een steek door de monddelen van een kaakloos wezen, zoals een insect
"De huilende baby zat onder de beten, want er was een mug in de kamer."
beet
Zelfstandig naamwoord
  • / biet
beet
Zelfstandig naamwoord
  • knol; de wortelknol van bietenplant

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

beet
Bijwoord
  • te pakken, vast
"beethouden: Hij hield haar stevig beet."

Werkwoord