Betekenis van:
bewust

bewust
Bijvoeglijk naamwoord
  • beseffend
"zich ergens van bewust zijn"
"zich van geen kwaad bewust zijn"
bewust
Bijvoeglijk naamwoord
  • iets waarvan kennis is genomen
"Het was een bewuste keuze om niet eerst langs de receptie te gaan."
bewust
Bijvoeglijk naamwoord
  • ''~ van'' op de hoogte met iets
"De zich van het pasgebeurde ongeluk niet bewuste automobilisten konden maar net een kettingbotsing vermijden."
bewust
Bijvoeglijk naamwoord
  • ''predicatief met oorzakelijk voorwerp'': ''zich iets ~ zijn'' op de hoogte zijn met iets
"Hij was zich dat niet bewust."
bewust
Bijvoeglijk naamwoord
  • dat betreffend; desbetreffend; waarover het gaat
"die bewuste [dag/zondag/maandag]"

Synoniemen

bewust
Bijvoeglijk naamwoord
  • bedachtzaam; heel bewust; weloverwogen
"een bewuste keuze"
"iets bewust doen"

Synoniemen