Betekenis van:
bezem

bezem (de ~ | meervoud bezems)
Zelfstandig naamwoord
  • werktuig om mee te vegen
"ergens de bezem door halen"
"nieuwe bezems vegen schoon"

Hyperoniemen

Hyponiemen

bezem
Zelfstandig naamwoord
  • een huishoudelijk voorwerp om stof en vuil bij elkaar te vegen

Werkwoord


Voorbeeldzinnen

  1. Ik heb een nieuwe bezem nodig. Deze is kapot.
  2. In Nederland is het de gewoonte dat, wanneer bij de bouw van een huis het hoogste punt bereikt is en de dakpannen gelegd kunnen worden, de opdrachtgever de bouwvakkers op zogenaamd "pannenbier" trakteert om dit te vieren. Er wordt dan een vlag in de nok van het huis geplaatst. Is de opdrachtgever te gierig om te trakteren, dan wordt geen vlag, maar een bezem geplaatst.