Betekenis van:
bod

bod
Zelfstandig naamwoord
  • een door een koper voorgestelde prijs
"Zijn bod was veel te laag."
bod (het ~)
Zelfstandig naamwoord
  • geboden som
"aan bod [komen/zijn]"
"een bod doen (op iets)"

Hyperoniemen

bod
Zelfstandig naamwoord
  • de handeling van het bieden
"Ze deed een bod op de antieke tafel."
bod
Zelfstandig naamwoord
  • de handeling van bieden

Hyperoniemen


Voorbeeldzinnen

  1. Een bod is slechts geldig indien:
  2. Hij ontving meer dan één bod die allemaal duidelijk onder het bod van TCL lagen.
  3. Volgens Oostenrijk was het bod van GRAWE niet het hoogste, maar het „beste bod”.
  4. Daarin komen ten minste de volgende onderwerpen aan bod:
  5. Tijdens de workshop zal het volgende aan bod komen:
  6. De minimumhoeveelheid voor elk bod bedraagt 1500 t.
  7. De vervaldatum van het bod werd door Oracle vaak verlengd.
  8. In dit reglement komen de volgende onderwerpen aan bod:
  9. Een compleet opgezet lichaam wordt opgevoerd onder „BOD”.
  10. Tot slot dient nog te worden vastgesteld of het bod van […] het beste bod is uit het oogpunt van de publiekrechtelijke schuldeisers.
  11. Op 31 januari 2008 heeft […] een bod uitgebracht op de aandelen-PZL Wrocław. Dat bod is op 14 februari 2008 voor de eerste keer verhoogd.
  12. De seminars bestaan uit vier delen zodat de volgende presentaties en besprekingen aan bod kunnen komen:
  13. Het lid van de gemeenteraad twijfelde daarbij niet aan de geloofwaardigheid van het bod.
  14. Het bod tot overname is op 24 augustus 2001 door de twaalf plaatselijke toeleveranciers gedaan.
  15. Met deze beide bieders werd individueel verder onderhandeld over het bindende bod.