Betekenis van:
buitenland
buitenland
Zelfstandig naamwoord
- ieder land buiten het eigene
"Volgende week ga ik op vakantie naar het buitenland."
buitenland (het ~)
Zelfstandig naamwoord
- buiten de staatsgrenzen gelegen gebied
"in het buitenland [verblijven/werken]"
"naar het buitenland vertrekken"
Hyperoniemen
Voorbeeldzinnen
- Ik wil naar het buitenland.
- Hij studeerde in het buitenland.
- Hij ging naar het buitenland.
- Ik studeer in het buitenland.
- Hoezo wil je in het buitenland studeren?
- Mijn vader gaat soms naar het buitenland.
- Ik wil in het buitenland studeren.
- Hij is net vanuit het buitenland terug.
- Hoe lang was je in het buitenland?
- Ben je ooit in het buitenland geweest?
- Mijn vader gaat volgende week naar buitenland.
- Ik ben nooit in het buitenland geweest.
- Ik ben nooit in het buitenland geweest.
- Hij reist graag naar het buitenland.
- Ik was op vakantie in het buitenland.