Betekenis van:
buitenland

buitenland
Zelfstandig naamwoord
  • ieder land buiten het eigene
"Volgende week ga ik op vakantie naar het buitenland."
buitenland (het ~)
Zelfstandig naamwoord
  • buiten de staatsgrenzen gelegen gebied
"in het buitenland [verblijven/werken]"
"naar het buitenland vertrekken"

Hyperoniemen

buitenland (het ~)
Zelfstandig naamwoord
  • land buiten dijken

Hyperoniemen


Voorbeeldzinnen

  1. Ik wil naar het buitenland.
  2. Hij studeerde in het buitenland.
  3. Hij ging naar het buitenland.
  4. Ik studeer in het buitenland.
  5. Hoezo wil je in het buitenland studeren?
  6. Mijn vader gaat soms naar het buitenland.
  7. Ik wil in het buitenland studeren.
  8. Hij is net vanuit het buitenland terug.
  9. Hoe lang was je in het buitenland?
  10. Ben je ooit in het buitenland geweest?
  11. Mijn vader gaat volgende week naar buitenland.
  12. Ik ben nooit in het buitenland geweest.
  13. Ik ben nooit in het buitenland geweest.
  14. Hij reist graag naar het buitenland.
  15. Ik was op vakantie in het buitenland.