Betekenis van:
consensus

consensus (de ~)
Zelfstandig naamwoord
  • overeenstemming; eensgezindheid
"consensus over een heikele kwestie"
"gebrek aan consensus"

Synoniemen

Hyperoniemen

consensus
Zelfstandig naamwoord
  • overeenstemming binnen een gemeenschap, een groepering
consensus
Zelfstandig naamwoord
  • de methode om binnen een groepering een gezamelijke overeenstemming te bereiken

Voorbeeldzinnen

  1. De CCG beoogt haar resoluties bij consensus vast te stellen.
  2. De besluiten van het comité worden bij consensus genomen.
  3. Het comité neemt besluiten bij consensus van zijn leden.
  4. Iedere regionale adviesraad wijst bij consensus een voorzitter aan.
  5. Indien gedurende twee achtereenvolgende vergaderingen geen consensus kan worden bereikt, worden de meningsverschillen zorgvuldig gedocumenteerd.
  6. De besluiten van het gemengd comité komen bij consensus tot stand.
  7. Er werd echter geen consensus bereikt over de waarde van de gronden.
  8. Voor zover mogelijk neemt de groep zijn adviezen of verslagen aan bij consensus.
  9. De Algemene Vergadering streeft ernaar haar besluiten bij consensus te nemen.
  10. Het ad-hocpanel streeft ernaar bij haar conclusies een consensus te bereiken.
  11. In de regel worden de besluiten in de commissie bij consensus genomen.
  12. de vaststelling op grond van consensus van een algemeen aanvaarde kieswet;
  13. de besluitvormende instanties en nationale wetgevingsorganen, teneinde een politieke consensus over deze kwestie te bevorderen;
  14. De Conferentie van voorzitters tracht consensus te bereiken in zaken die aan haar zijn voorgelegd.
  15. Op die manier kan elk punt van onenigheid snel worden opgespoord en kan een consensus gemakkelijker worden bereikt.