Betekenis van:
cumuleren

cumuleren
Werkwoord
  • zich opstapelen, ophopen
"Als is de rente maar een paar procent, toch groeit het bedrag op den duur flink doordat het cumuleert."
cumuleren
Werkwoord
  • (''Vlaanderen'') een bepaald ambt of functie combineren met een ander ambt
"Belgische ministers en staatssecretarissen mogen hun functie niet cumuleren met een lokaal mandaat."
cumuleren
Werkwoord
  • (''Vlaanderen'') verschillende ambten gelijktijdig uitoefenen
"Elio Di Rupo cumuleerde door zowel minister-president van Wallonië als partijvoorzitter te zijn."
cumuleren
Werkwoord
  • het samenvoegen van verschillende percelen of kavels bij een verkoop
cumuleren
Werkwoord
  • tot een hoop maken

Synoniemen

Hyperoniemen