Betekenis van:
deken

deken
Zelfstandig naamwoord
  • van de Orde van Advocaten

Hyperoniemen

deken
Zelfstandig naamwoord
  • hoofd van een kapittel van kanunniken

Hyperoniemen

deken (de ~ | meervoud dekens)
Zelfstandig naamwoord
  • priester v.e. aantal parochies

Hyperoniemen

deken
Zelfstandig naamwoord
  • een (vaak dik) doek, met de functie om iemand te bedekken en daarmee warm te houden tijdens de slaap

Voorbeeldzinnen

  1. Ik ben gevoelig voor kou. Mag ik nog een deken hebben?
  2. Bij staking van stemmen geeft de stem van de deken of het lid dat de deken tijdelijk vervangt de doorslag.
  3. Iedere kamer kiest overeenkomstig de in de uitvoeringsbepalingen neergelegde voorwaarden een van haar leden als deken.
  4. tenten met verwarming (voor winterse omstandigheden) en veldbedden met slaapzak en/of deken,
  5. De deken geeft overeenkomstig de in de uitvoeringsbepalingen neergelegde voorwaarden aan alle leden van de Rekenkamer kennis van documenten die ingevolge artikel 11, lid 1, door de kamer zijn aangenomen.