Betekenis van:
echt

echt
Zelfstandig naamwoord
  • de huwelijkse staat
"In de echt verbonden."
echt (de ~)
Zelfstandig naamwoord
  • wettelijke verbintenis van twee mensen; huwelijk; huwelijk; betrekking tot mensen d.m.v. huwelijk
"in de echt verbinden"
"in de echt verbonden zijn"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

echt
Bijvoeglijk naamwoord
  • waarachtig, juist, niet vervalst
"Dit zijn echte parels."
echt
Bijvoeglijk naamwoord
  • echt; bij uitnemendheid; authentiek
"een echte dame/vriend"
"echt Hollands"

Synoniemen

Werkwoord