Betekenis van:
fat

fat (de ~ | meervoud fatten)
Zelfstandig naamwoord
  • overdreven modieus geklede man; ijdele man
"een fatje dat uren voor de spiegel doorbrengt"

Synoniemen

Hyperoniemen

fat
Zelfstandig naamwoord
  • modegek, iemand die buitensporige aandacht aan zijn uiterlijk besteedt
""Ik, of een ander, mevrouw", hernam de jonge fat, zich op de lippen bijtende; "maar ik heb mijne overtuiging"."