Betekenis van:
gaspedaal

gaspedaal
Zelfstandig naamwoord
  • het rechter pedaal van een auto waarmee de brandstoftoevoer naar de motor geregeld wordt
"Hij liet het gaspedaal los en liet zijn auto geleidelijk tot stilstand komen."
gaspedaal (de/het ~ | meervoud gaspedalen)
Zelfstandig naamwoord
  • pedaal om gastoevoer te regelen
"het gaspedaal indrukken/intrappen"
"zijn voet van het gaspedaal halen"

Synoniemen

Hyperoniemen

gaspedaal
Zelfstandig naamwoord
  • regelaar v.d. gastoevoer

Synoniemen

Hyperoniemen


Voorbeeldzinnen

  1. Kantelbaar gaspedaal
  2. Aangepast gaspedaal
  3. Gaspedaal met slof
  4. Gaspedaal links van rempedaal
  5. Gaspedaal aan linkerkant
  6. Afscherming vóór/opklapbaar/uitneembaar gaspedaal
  7. Vervolgens wordt het voertuig met minimaal gebruik van het gaspedaal naar de meetkamer gereden.
  8. Bij zware dieselmotoren moet ten minste 10 seconden worden gewacht na het loslaten van het gaspedaal.
  9. Tijdens perioden van constante snelheid wordt het gaspedaal in dezelfde stand gehouden.
  10. De test voor het vaststellen van het nettovermogen wordt uitgevoerd met de bediening van het gaspedaal in de maximumstand.
  11. Bij stationair draaiende motor wordt het gaspedaal snel, maar niet ruw, ingetrapt zodat de inspuitpomp zijn maximale capaciteit levert.
  12. Bij alle vertragingen van de elementaire stadscyclus (deel 1) wordt het gaspedaal volledig losgelaten en blijft de koppeling ingeschakeld.
  13. „actieve stand (rijden mogelijk)”: stand van het voertuig waarbij, wanneer het gaspedaal wordt ingetrapt (of een soortgelijk orgaan wordt geactiveerd), de aandrijving het voertuig in beweging zal brengen;
  14. Bij alle vertragingen van de cyclus buiten de stad (deel 2) wordt het gaspedaal volledig losgelaten en blijft de koppeling ingeschakeld.
  15. Bij voertuigen die de in de testcyclus voorgeschreven acceleratie- en maximumsnelheidswaarden niet bereiken, moet het gaspedaal volledig worden ingedrukt totdat zij weer aansluiting krijgen bij de voorgeschreven kromme.