Betekenis van:
haast

haast (de ~)
Zelfstandig naamwoord
  • drang om iets snel te doen; snelheid van handelen
"haast en spoed is zelden goed"
"haast hebben"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

haast
Zelfstandig naamwoord
  • de drang hebben om iets snel te doen
"Ik heb haast."
haast
Bijwoord
  • bijna
"Dingen die lekker lang duren, lijken haast niet meer te mogen."

Werkwoord


Voorbeeldzinnen

  1. Haast je alsjeblieft!
  2. Ik heb haast!
  3. Haast je langzaam.
  4. We zijn haast een gezin.
  5. Ik reed met mijn auto door rood, omdat ik haast had.
  6. Haast je langzaam", "Haastige spoed is zelden goed
  7. Moet dit een krentenbol zijn? Je moet haast fietsen van de ene krent naar de andere, zo weinig zitten er in.
  8. Haast iedere vlees- en worstfabrikant in Thüringen heeft de Leberwurst in zijn assortiment.
  9. De interconnector wordt in feite haast steeds gebruikt om stroom van Schotland naar Engeland en Wales uit te voeren.
  10. Het kan voor de exporteur haast onmogelijk en voor de bevoegde autoriteiten zelfs nog moeilijker zijn om het gewicht van die stoffen te bepalen.
  11. De gemiddelde verkoopprijs daalde verder gedurende het OT, toch zorgde de verlaging van de productiekosten ervoor dat het resultaat voor die periode haast kostendekkend was.
  12. Om het klantenverlies te beperken heeft Sernam dit plan op stel en sprong moeten vervangen door een wegvervoersplan dat door de haast niet optimaal kon worden uitgewerkt; ook kon niet in gunstige omstandigheden over de prijzen worden onderhandeld.