Betekenis van:
haast
haast (de ~)
Zelfstandig naamwoord
- drang om iets snel te doen; snelheid van handelen
"haast en spoed is zelden goed"
"haast hebben"
Synoniemen
Hyperoniemen
Hyponiemen
haast
Zelfstandig naamwoord
- de drang hebben om iets snel te doen
"Ik heb haast."
haast
Bijwoord
- bijna
"Dingen die lekker lang duren, lijken haast niet meer te mogen."
Werkwoord
Voorbeeldzinnen
- Haast je alsjeblieft!
- Ik heb haast!
- Haast je langzaam.
- We zijn haast een gezin.
- Ik reed met mijn auto door rood, omdat ik haast had.
- Haast je langzaam", "Haastige spoed is zelden goed
- Moet dit een krentenbol zijn? Je moet haast fietsen van de ene krent naar de andere, zo weinig zitten er in.
- Haast iedere vlees- en worstfabrikant in Thüringen heeft de Leberwurst in zijn assortiment.
- De interconnector wordt in feite haast steeds gebruikt om stroom van Schotland naar Engeland en Wales uit te voeren.
- Het kan voor de exporteur haast onmogelijk en voor de bevoegde autoriteiten zelfs nog moeilijker zijn om het gewicht van die stoffen te bepalen.
- De gemiddelde verkoopprijs daalde verder gedurende het OT, toch zorgde de verlaging van de productiekosten ervoor dat het resultaat voor die periode haast kostendekkend was.
- Om het klantenverlies te beperken heeft Sernam dit plan op stel en sprong moeten vervangen door een wegvervoersplan dat door de haast niet optimaal kon worden uitgewerkt; ook kon niet in gunstige omstandigheden over de prijzen worden onderhandeld.