Betekenis van:
handdoek

handdoek (de ~ | meervoud handdoeken)
Zelfstandig naamwoord
  • doek om je mee af te drogen
"de handdoek in de ring werpen"
"een schone/vuile handdoek"

Hyperoniemen

Hyponiemen

handdoek
Zelfstandig naamwoord
  • een doek waarmee men zich afdroogt
"Tijdens het douchen kwam hij erachter dat hij zijn handdoek was vergeten te pakken."
handdoek
Zelfstandig naamwoord
  • ''(België)'' een theedoek
"Hij pakte een handdoek om het kopje af te drogen."
handdoek
Zelfstandig naamwoord
  • droogdoek voor vaatwerk

Synoniemen

Hyperoniemen