Betekenis van:
haren

haren
Bijvoeglijk naamwoord
  • van haar
"een haren borstel"
haar (de/het ~ | meervoud haren)
Zelfstandig naamwoord
  • buisje in de huid van mens en dier
"iets met de haren erbij slepen"
"ober, er zit een haar in mijn soep"

Hyperoniemen

Werkwoord