Betekenis van:
haring

haring (de ~ | meervoud haringen)
Zelfstandig naamwoord
  • pin om scheerlijnen vast te zetten
"haringen de grond inslaan"
"[houten/ijzeren] haringen"

Synoniemen

Hyperoniemen

haring (de ~ | meervoud haringen)
Zelfstandig naamwoord
  • kleine zeevis
"[zoute/zure] haring"
"een maatje haring"

Hyperoniemen

Hyponiemen

haring
Zelfstandig naamwoord
  • ''Clupea harengus'', zilvergrijze zoutwatervis, geschikt voor comsumptie
haring
Zelfstandig naamwoord
  • soort pen waarmee de scheerlijnen van een tent in de bodem bevestigd worden

Voorbeeldzinnen

  1. Haring
  2. Atlantische haring
  3. Haring, IIIa
  4. Soort Haring
  5. Haring: larvenindices
  6. Haring [23]Clupea harengus
  7. Pelagische soorten (haring, sprot)
  8. HER — Haring (Clupea harengus)
  9. Haring, IIId (Zweedse wateren)
  10. Haring van de soort
  11. Atlantisch-Scandinavische haring
  12. Haring, blauwe wijting
  13. Kabeljauwachtigen, haring, makreel
  14. Haring, benoorden 62° 00' NB
  15. Haring (benoorden 62° 00' NB)