Betekenis van:
hoed
hoed (de ~ | meervoud hoeden)
Zelfstandig naamwoord
- hoofddeksel
"je een hoedje schrikken"
"één twee drie vier, hoedje van papier"
Hyperoniemen
Hyponiemen
hoed
Zelfstandig naamwoord
- een hoofddeksel
hoed
Zelfstandig naamwoord
- het bovenste gedeelte van het vruchtlichaam van een zwam
hoed
Zelfstandig naamwoord
- het koepelvormige deel van een kwal
Werkwoord
Voorbeeldzinnen
- Ga niet zonder hoed.
- Breng mijn hoed.
- Hij heeft een hoed op.
- De bruine hoed is oud.
- Ik hou niet van die hoed.
- Hij kan zijn hoed niet vinden.
- Ze draagt nu al een maand dezelfde hoed.
- Hij ging de kamer in met zijn hoed af.
- Eerst trok John zijn jas aan, en toen pakte hij zijn hoed.
- 2/3 van de diameter van de hoed
- Deze laatste mag geen al te dikke kleding, of shawl of hoed dragen.
- De diameter van de hoed moet bij gesloten, gevliesde en open champignons ten minste 15 mm en bij vlakke champignons ten minste 20 mm bedragen.
- vlakke champignons, d.w.z. champignons waarvan de hoed helemaal open is (maar hoedrand niet te sterk naar binnen of naar buiten gebogen).