Betekenis van:
steek

steek
Zelfstandig naamwoord
  • prik van een insekt
"Deze muggen steken gemeen."

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

steek (de ~ | meervoud steken)
Zelfstandig naamwoord
  • keer dat je steekt of gestoken wordt
"iemand een steek onder water geven"
"iemand een steek toebrengen"

Hyperoniemen

steek (de ~ | meervoud steken)
Zelfstandig naamwoord
  • doorgehaalde draad bij allerlei handwerken
"(gevallen) steken ophalen/opnemen"
"een halve/hele steek"

Hyperoniemen

Hyponiemen

steek
Zelfstandig naamwoord
  • knoop waardoor een touw aan een ander touw of voorwerp wordt vastgemaakt
"Hij zet het zijl met een paar steken vast"

Hyperoniemen

Hyponiemen

steek
Zelfstandig naamwoord
  • een penetratie met een scherp puntig voorwerp
"De steek met die dolk was diep genoeg om flinke schade te doen."
steek
Zelfstandig naamwoord
  • een langdurige scherpe pijn
"Hij kreeg ineens een steek in de zij."
steek (de ~ | meervoud steken)
Zelfstandig naamwoord
  • po aan een steel; platte po voor in bed
"op de steek gaan"

Synoniemen

Hyperoniemen

steek (de ~ | meervoud steken)
Zelfstandig naamwoord
  • korte hevige pijn die door een lichaamsdeel schijnt te schieten
"ze heeft last van steken op de borst"

Synoniemen

Hyperoniemen

steek
Zelfstandig naamwoord
  • scherpe, hekelende opmerking
"Hij geeft veel steken onder water in zijn verhaal."
"Zijn verhaal bevat veel steken onder water"

Synoniemen

Hyperoniemen

steek (de ~ | meervoud steken)
Zelfstandig naamwoord
  • bepaald hoofddeksel

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

steek
Zelfstandig naamwoord
  • een eenmalige doorvoering van een draad door een weefsel, meestal met behulp van een naald
steek
Zelfstandig naamwoord
  • een bepaald soort hoofddeksel
steek
Zelfstandig naamwoord
  • ''in de ~ laten'': iemand verlaten in plaats van hulp te verlenen

Werkwoord