Betekenis van:
steken

steken
Werkwoord
  • met een spade uitgraven
"asperges steken"
"turf steken"

Hyperoniemen

steken
Werkwoord
  • een stekende beweging maken
"naar iemand steken"

Hyperoniemen

steken
Werkwoord
  • van insecten, planten etc
"iemand steken"

Hyperoniemen

steken
Werkwoord
  • erin of erop plaatsen
"papieren in je tas steken"
"[geld] in je eigen zak steken"

Hyperoniemen

Hyponiemen

steken
Werkwoord
  • doorboren, prikken
"Hij stak het mes diep in het vlees."
steken
Werkwoord
  • ''in brand ~'': doen ontvlammen
"De invallers staken het hele dorp in brand."
steken
Werkwoord
  • uitdiepen; gravend doen ontstaan
"een kuil steken"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

steken
Werkwoord
  • in iets stoppen; in iets steken; in een ruimte bergen
"ergens energie in steken"
"ergens tijd in steken"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

steken
Werkwoord
  • een stekend gevoel geven

Hyperoniemen

steek (de ~ | meervoud steken)
Zelfstandig naamwoord
  • bepaald hoofddeksel

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

steek (de ~ | meervoud steken)
Zelfstandig naamwoord
  • po aan een steel; platte po voor in bed
"op de steek gaan"

Synoniemen

Hyperoniemen

steek (de ~ | meervoud steken)
Zelfstandig naamwoord
  • keer dat je steekt of gestoken wordt
"iemand een steek onder water geven"
"iemand een steek toebrengen"

Hyperoniemen

steek (de ~ | meervoud steken)
Zelfstandig naamwoord
  • korte hevige pijn die door een lichaamsdeel schijnt te schieten
"ze heeft last van steken op de borst"

Synoniemen

Hyperoniemen

steek (de ~ | meervoud steken)
Zelfstandig naamwoord
  • doorgehaalde draad bij allerlei handwerken
"(gevallen) steken ophalen/opnemen"
"een halve/hele steek"

Hyperoniemen

Hyponiemen

Werkwoord