Vervoeging van afsteken


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik steek af
    • jij steekt af
    • hij/zij/het steekt af
    • wij steken af
    • jullie steken af
    • zij steken af
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik stak af
    • jij stak af
    • hij/zij/het stak af
    • wij staken af
    • jullie staken af
    • zij staken af
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb afgestoken
    • jij hebt afgestoken
    • hij/zij/het heeft afgestoken
    • wij hebben afgestoken
    • jullie hebben afgestoken
    • zij hebben afgestoken
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had afgestoken
    • jij had afgestoken
    • hij/zij/het had afgestoken
    • wij hadden afgestoken
    • jullie hadden afgestoken
    • zij hadden afgestoken
  • Toekomende tijd I

    • ik zal afsteken
    • jij zult afsteken
    • hij/zij/het zal afsteken
    • wij zullen afsteken
    • jullie zullen afsteken
    • zij zullen afsteken
  • Toekomende tijd II

    • ik zal afgestoken hebben
    • jij zult afgestoken hebben
    • hij/zij/het zal afgestoken hebben
    • wij zullen afgestoken hebben
    • jullie zullen afgestoken hebben
    • zij zullen afgestoken hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou afsteken
    • jij zou afsteken
    • hij/zij/het zou afsteken
    • wij zouden afsteken
    • jullie zouden afsteken
    • zij zouden afsteken
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben afgestoken
    • jij zou hebben afgestoken
    • hij/zij/het zou hebben afgestoken
    • wij zouden hebben afgestoken
    • jullie zouden hebben afgestoken
    • zij zouden hebben afgestoken
  • Imperatief

    • jij steek af
    • jullie steekt af

Verwijzingen

Bekijk 5 definitie(s) van afsteken