Betekenis van:
stoppen

stoppen
Werkwoord
  • verstoppend werken
"rijstwater stopt"

Hyperoniemen

stoppen
Werkwoord
  • doen halthouden
"De agent liet ons stoppen voor een controle."
stoppen
Werkwoord
  • ophouden, ermee kappen
"Zou je willen stoppen met fluiten?"
stoppen
Werkwoord
  • stoppen; beëindigen; beëindigen; stoppen; beeindigen
"de verspilling van grondstoffen proberen te stoppen"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

stoppen
Werkwoord
  • in iets stoppen; in iets steken; in een ruimte bergen
"[een stekker] in [het stopcontact] stoppen"
"iemand in je zak stoppen"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

stoppen
Werkwoord
  • stil blijven staan; tot stilstand komen
"bij/op de halte stoppen"
"de machine stopt"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

stoppen
Werkwoord
  • herstellen (van een gat)
stoppen
Werkwoord
  • vullen (van een pijp)
stop (de ~ | meervoud stoppen)
Zelfstandig naamwoord
  • beveiliging tegen kortsluiting; beveiliging voor te grote spanning
"de stoppen slaan door"
"de stoppen slaan door"

Synoniemen

Hyperoniemen

stop (de ~ | meervoud stoppen)
Zelfstandig naamwoord
  • stopsel in weefsel of breiwerk

Hyperoniemen

stop (de ~ | meervoud stoppen)
Zelfstandig naamwoord
  • voorwerp om een opening af te sluiten
"een stop op [een fles]"

Hyperoniemen

Werkwoord