Betekenis van:
afsluiten

afsluiten
Werkwoord
  • op slot doen
"de deur afsluiten"

Hyperoniemen

afsluiten
Werkwoord
  • (een overeenkomst) sluiten met inachtneming van de verschillende formaliteiten of handelingen
"een verzekering/polis afsluiten"
"een overeenkomst afsluiten"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

afsluiten
Werkwoord
  • (iets) niet aan iem. geven
"hij sluit zich af van de buitenwereld"
"wanbetalers afsluiten"

Synoniemen

Hyperoniemen

afsluiten
Werkwoord
  • door sluiting ontoegankelijk maken
"het huis afsluiten"
"de weg afsluiten"

Hyperoniemen

Hyponiemen

afsluiten
Werkwoord
  • (lucht, licht, water, gas enz.) door een afscheiding beletten door te dringen
"gas/licht/elektriciteit/water/telefoon afsluiten"
"iemand van het gas afsluiten"

Hyperoniemen

Hyponiemen

afsluiten
Werkwoord
  • zorgen dat iets of iemand niet in, uit of door iets kan gaan, alle openingen dicht doen
"De Deltawerken waren erop gericht om zo veel mogelijk zeearmen af te sluiten."
afsluiten
Werkwoord
  • zorgen dat iets niet meer werkt, alle verbindingen verbreken
"Gas en elektra zijn al afgesloten, want we gaan morgen verhuizen."
afsluiten
Werkwoord
  • een officiële afspraak op papier maken, officieel regelen
"Heeft u een huisdier? Dan moet u ook een goede huisdierenverzekering afsluiten."
afsluiten
Werkwoord
  • een einde maken aan
"We sluiten het feest af met vuurwerk."
afsluiten
Werkwoord
  • stoppen; beëindigen; beëindigen; stoppen; beeindigen
"kampweek afsluiten met een kampvuur"
"vergadering afsluiten"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen