Betekenis van:
houtskool

houtskool (de ~)
Zelfstandig naamwoord
  • door verbranding verkoold hout
"een tekening met houtskool"

Hyperoniemen

houtskool
Zelfstandig naamwoord
  • verkoold hout dat wordt gebruikt als brandstof

Voorbeeldzinnen

  1. Houtskool
  2. Houtskool
  3. Houtskool, geactiveerd
  4. waarvan: houtskool
  5. Waarvan: houtskool
  6. Houtskool: 1000 t
  7. Hout en houtwaren houtskool
  8. Houtskool, ook indien samengeperst
  9. HOUT, HOUTSKOOL EN HOUTWAREN
  10. CPA 20.14.72: Houtskool
  11. 44 Hout, houtskool en houtwaren
  12. Houtskool (houtskool uit schalen van vruchten of van noten daaronder begrepen), ook indien samengeperst
  13. Met een laagje gemalen houtskool bedekte geitenkaas
  14. Hout, houtskool en houtwaren, met uitzondering van:
  15. HOUT, HOUTSKOOL EN HOUTWAREN; KURK EN KURKWAREN; VLECHTWERK EN MANDENMAKERSWERK