Betekenis van:
huilen

huilen
Werkwoord
  • hard schreeuwen; huilen; huilen; jankend geluid maken (ook van dieren)
"wind huilt (om het huis)"
"huilen met de wolven in het bos"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

huilen
Werkwoord
  • klagelijk huilen; wenen
"krokodillentranen huilen"
"huilen van iets"

Synoniemen

Hyperoniemen

huilen
Werkwoord
  • traanvocht uitscheiden door emotie
huilen
Werkwoord
  • het geroep van wolven

Werkwoord


Voorbeeldzinnen

  1. Niet huilen alsjeblieft.
  2. Hij begon te huilen.
  3. Ik begon te huilen.
  4. Je begon te huilen.
  5. Hij was aan het huilen.
  6. Tom was aan het huilen.
  7. Hou alsjeblieft op met huilen.
  8. Je stem deed me huilen.
  9. Waarom zijn ze aan het huilen?
  10. Ken je dat jongetje dat aan het huilen is?
  11. Niemand kan het boek lezen zonder te huilen.
  12. Alleen gelaten begon het kleine meisje te huilen.
  13. Maar even serieus, om aflevering 21 moest ik zowat huilen van het lachen.
  14. Het spijt me dat ik je aan het huilen heb gemaakt.