Betekenis van:
ijzel

ijzel (de ~)
Zelfstandig naamwoord
  • tot ijslaag geworden regen
"door de ijzel zijn alle wegen glad"
"er treedt ijzel op"

Hyperoniemen

ijzel
Zelfstandig naamwoord
  • onderkoelde regen die in ijs overgaat eenmaal in aanraking met de grond
"IJzel leidt vaak tot chaos en veel ellende op de weg."

Voorbeeldzinnen

  1. Er is ijzel op de baan.
  2. (Sneeuw, ijzel en hagel)
  3. Sneeuw, ijzel en hagel
  4. Er moet worden gekeken naar het effect van alle soorten sneeuw, ijzel en/of hagel.