Betekenis van:
jam

jam (de ~ | meervoud jams)
Zelfstandig naamwoord
  • soort zoet broodbeleg
"jam [op je brood] smeren"
"jam op [je brood/een bolletje]"

Synoniemen

Hyperoniemen

jam
Zelfstandig naamwoord
  • een gelei van suiker en gekookt fruit, onder andere gebruikt als broodbeleg
"Als je iets zoets wil pak je maar een boterham met jam."

Werkwoord


Voorbeeldzinnen

  1. Ik knoeide jam op het stopcontact en toen was er kortsluiting.
  2. Jam
  3. Jam, marmelade, enz. van citrusvruchten
  4. Jam, vruchtengelei, marmelade, enz., gehomogeniseerd
  5. Jam, marmelade, enz. van citrusvruchten
  6. Jam, vruchtengelei, marmelade, enz., gehomogeniseerd
  7. CPA 10.39.22: Jam, vruchtengelei, vruchtenmoes en vruchtenpasta
  8. Jam, gelei en marmelade, met verminderde verbrandingswaarde
  9. Suiker, jam, honing, chocolade en suikerwerk
  10. Jam, vruchtengelei, marmelade, vruchtenmoes en vruchtenpasta
  11. Jam, vruchtengelei, marmelade, vruchtenmoes en vruchtenpasta
  12. Jam, vruchtengelei en marmelade, met of zonder toegevoegde suiker of andere zoetstoffen (met uitzondering van hazelnotenpasta)
  13. Jam, vruchtengelei, marmelade, vruchtenmoes en vruchtenpasta, door koken of stoven verkregen, met of zonder toegevoegde suiker of andere zoetstoffen:
  14. De gebruikersindustrie heeft aangetoond dat het betrokken product een aanzienlijk deel van de productiekosten van jam vormt (ongeveer 30-40 %).
  15. Jam, vruchtengelei, marmelade, vruchtenmoes en vruchtenpasta, door koken of stoven verkregen, met of zonder toegevoegde suiker of andere zoetstoffen