Betekenis van:
kleingeld

kleingeld (het ~)
Zelfstandig naamwoord
  • geld in munten; los muntgeld; muntstuk
"(n)iets aan kleingeld"
"wat kleingeld"

Synoniemen

Hyperoniemen

kleingeld
Zelfstandig naamwoord
  • geld in kleine coupures, vooral in munten
"Hij heeft altijd wel kleingeld in zijn zakken zitten."