Betekenis van:
klimaat

klimaat (het ~ | meervoud klimaten)
Zelfstandig naamwoord
  • gemiddelde of samengevatte natuurlijke gesteldheid van de lucht en het weer in een landstreek
"het economische/sociale klimaat"
"een leefbaar klimaat"

Synoniemen

Hyperoniemen

klimaat
Zelfstandig naamwoord
  • de gemiddelde natuurlijke gesteldheid van de lucht en het weer in een gebied op een planeet
"Wij hebben op aarde een leefbaar klimaat."
klimaat
Zelfstandig naamwoord
  • stemming in een kring van personen

Synoniemen

Hyperoniemen


Voorbeeldzinnen

  1. Dat eiland heeft een tropisch klimaat.
  2. Ik ben gewend aan een koud klimaat.
  3. Het klimaat hier lijkt op dat op Hokkaido.
  4. Het koude klimaat had zijn weerslag op zijn gezondheid.
  5. Gunstiger klimaat
  6. Klimaat (buitenluchttemperatuur)
  7. Bescherming van luchtkwaliteit en klimaat
  8. een meer werkgelegenheidsvriendelijk klimaat creëren.
  9. Druk op het milieu en het klimaat
  10. Bescherming van omgevingslucht en klimaat, afvalwaterbeheer, afvalbeheer, overige milieubeschermende maatregelen, totaal
  11. Steun ter vergoeding van extra kosten als gevolg van klimaat en reliëf
  12. Zorgen voor een klimaat van interetnische verdraagzaamheid, van duurzaam multi-etnisch samenleven dat terugkeer mogelijk maakt.
  13. Een beknopte beschrijving van het klimaat en van de meteorologische kenmerken:
  14. Gespreid over het jaar met het oog op de representativiteit voor de diverse klimaat- en verkeersomstandigheden.
  15. Machines en apparaten voor de regeling van het klimaat in besloten ruimten, van de soort gebruikt voor motorvoertuigen