Betekenis van:
koelkast
koelkast (de ~ | meervoud koelkasten)
Zelfstandig naamwoord
- kast om waren koel in te bewaren; gekoelde opslagkast voor levensmiddelen
"iets in de koelkast stoppen"
"de koelkast leegeten"
Synoniemen
Hyperoniemen
Hyponiemen
koelkast
Zelfstandig naamwoord
- een kast die voorzien is van een koelinstallatie, waarin men goederen kan plaatsen die koel moeten blijven
Voorbeeldzinnen
- Er is melk in de koelkast.
- Er is melk in de koelkast.
- Kun je eieren bewaren buiten de koelkast?
- Er is nog melk in de koelkast.
- De melk is in de koelkast.
- Er is melk in de koelkast.
- Ik heb nog nooit een rode koelkast gezien.
- Bewaar de oplossing in een koelkast.
- koelkast-vrieskastcombinaties, voorzien van afzonderlijke buitendeuren
- KOELKAST MET VRIESRUIMTE MET TWEE STERREN
- Koelkast-vrieskastcombinaties, voorzien van afzonderlijke buitendeuren
- Koelkast met vriesruimte met één ster
- Koelkast met vriesruimte met drie sterren
- 5 KOELKAST MET VRIESRUIMTE MET DRIE STERREN
- Koelkast met één of meer bewaarruimten voor verse levensmiddelen