Betekenis van:
koelkast

koelkast (de ~ | meervoud koelkasten)
Zelfstandig naamwoord
  • kast om waren koel in te bewaren; gekoelde opslagkast voor levensmiddelen
"iets in de koelkast stoppen"
"de koelkast leegeten"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

koelkast
Zelfstandig naamwoord
  • een kast die voorzien is van een koelinstallatie, waarin men goederen kan plaatsen die koel moeten blijven

Voorbeeldzinnen

  1. Er is melk in de koelkast.
  2. Er is melk in de koelkast.
  3. Kun je eieren bewaren buiten de koelkast?
  4. Er is nog melk in de koelkast.
  5. De melk is in de koelkast.
  6. Er is melk in de koelkast.
  7. Ik heb nog nooit een rode koelkast gezien.
  8. Bewaar de oplossing in een koelkast.
  9. koelkast-vrieskastcombinaties, voorzien van afzonderlijke buitendeuren
  10. KOELKAST MET VRIESRUIMTE MET TWEE STERREN
  11. Koelkast-vrieskastcombinaties, voorzien van afzonderlijke buitendeuren
  12. Koelkast met vriesruimte met één ster
  13. Koelkast met vriesruimte met drie sterren
  14. 5 KOELKAST MET VRIESRUIMTE MET DRIE STERREN
  15. Koelkast met één of meer bewaarruimten voor verse levensmiddelen