Betekenis van:
kraag

kraag (de ~ | meervoud kragen)
Zelfstandig naamwoord
  • rand rond de hals v.e. kledingstuk
"je kraag (van je jas) opzetten"
"een stuk in je kraag hebben/drinken"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

kraag
Zelfstandig naamwoord
  • een kledingstuk rond de hals
"Iedereen kent het schilderij van Spinoza, met zwarte mantel en witte kraag, donkere ogen en afgeronde wenkbrauwen."
kraag
Zelfstandig naamwoord
  • een omgeslagen rand van een kledingstuk bij de halsopening
"De kraag van dit overhemd is versleten."
kraag
Zelfstandig naamwoord
  • een witte rand schuim op een glas bier
"Vlak na het inschenken bestaat de kraag voor 70% uit gas en 30% uit bier."
kraag
Zelfstandig naamwoord
  • de naam van voorwerpen die op een kraag lijken, zoals een opstaande rand
kraag
Zelfstandig naamwoord
  • laag schuim op bier; laag schuim op een glas bier

Synoniemen

Hyperoniemen

Werkwoord


Voorbeeldzinnen

  1. Hij greep me bij mijn kraag.
  2. hetzij een „skioverall”, zijnde een eendelig kledingstuk ontworpen om het boven- en onderlichaam te bedekken; naast de mouwen en de kraag mag dit kledingstuk voorzien zijn van zakken en van voetbandjes;
  3. Tomaten mogen geen „groene kraag” hebben en geen andere afwijkingen vertonen dan zeer lichte oppervlakkige afwijkingen van de vruchthuid, op voorwaarde dat deze het algemene uiterlijk, de kwaliteit, de houdbaarheid en de presentatie van het product in de verpakking niet nadelig beïnvloeden.