Betekenis van:
krijgsmacht

krijgsmacht
Zelfstandig naamwoord
  • een overheidsdienst die de veiligheid bewaakt door middel van land-, zee- en luchtmacht
"De Nederlandse krijgsmacht heeft al meerdere keren bewezen dat deze goed functioneert."
krijgsmacht
Zelfstandig naamwoord
  • de totale land-, zee- en luchtmacht

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen


Voorbeeldzinnen

  1. Inspecteur-generaal van de krijgsmacht
  2. ELVO is de belangrijkste leverancier van motorvoertuigen aan de Griekse krijgsmacht.
  3. Op dit punt heeft Griekenland formeel verklaard dat […] werden geproduceerd overeenkomstig de specificaties van de Griekse krijgsmacht […].
  4. De Griekse autoriteiten deelden de Commissie mee dat de lening werd gebruikt om de productie in verband met de aankoopprogramma’s van het ministerie van Defensie te financieren, en meer in het bijzonder de productie van […] [5] voor de Griekse krijgsmacht.
  5. leden van de krijgsmacht die zich verplaatsen in het kader van de NAVO of het Partnerschap voor de Vrede en die in het bezit zijn van de identiteits- en reisbewijzen die worden bedoeld in het Verdrag tussen de Staten die partij zijn bij de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten van 19 juni 1951.”.
  6. De Commissie aanvaardt het argument dat de bestelling waarvoor de leninggarantie werd verstrekt, betrekking had op oorlogsmateriaal zoals bedoeld in artikel 296, lid 1, onder b), van het EG-Verdrag en dat de garantie noodzakelijk was voor de levering van dat materiaal aan de Griekse krijgsmacht.