Betekenis van:
leerling

leerling
Zelfstandig naamwoord
  • iemand die onderwijs volgt
"De meester gaf de leerlingen een proefwerk."
leerling (de ~ | meervoud leerlingen)
Zelfstandig naamwoord
  • iemand die onderwijs volgt
"België was het afgelopen jaar de beste leerling van de (Europese) klas"
"een nieuwe/zwakke leerling"

Hyperoniemen

Hyponiemen

leerling (de ~ | meervoud leerlingen)
Zelfstandig naamwoord
  • aanhanger; iemand die de leiding v.e. ander volgt; iemand die de leer v.e. ander volgt
"de leerlingen van Jezus"
"een leerling van [Freud]"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen


Voorbeeldzinnen

  1. Iedere leerling moet het schoolreglement kennen.
  2. Ben je een leerkracht of een leerling hier?
  3. Indien de leerling beter zijn les kende, zou de leraar hem niet straffen.
  4. "Was zij een leerling van de middelbare school?" "Ja, dat was ze."
  5. Bob is de enige leerling in onze klas die Spaans kan spreken.
  6. Leerling
  7. De leerling
  8. De leerling
  9. leerling-luchtverkeersleiders en
  10. Was student of leerling
  11. Leerling, student, opleiding, onbetaalde stage
  12. Was geen student of leerling
  13. lerende volwassene: een leerling die deelneemt aan de volwasseneneducatie;
  14. Vergunningen voor leerling-luchtverkeersleiders worden verleend aan aanvragers die:
  15. Student of leerling die de laatste vier weken regulier onderwijs volgde