Betekenis van:
leren
leren
Bijvoeglijk naamwoord
- van leer vervaardigd
leren
Werkwoord
- kennis of vaardigheid verwerven
leren
Werkwoord
- kennis of vaardigheid doen verwerven
leer (de ~ | meervoud leren)
Zelfstandig naamwoord
- stelsel van regels die min of meer een afgesloten geheel vormen m.b.t. een vak van wetenschap of kunst
"de leer van de Drie-eenheid"
"de hervormde/rooms-katholieke leer"
Synoniemen
Hyperoniemen
Hyponiemen
Werkwoord
Voorbeeldzinnen
- Hij wil leren koken.
- Ik wil graag Frans leren.
- Wij leren Engels op school.
- Heb jij leren koken ofzo?
- Wanneer heb je leren zwemmen?
- Ik wil standaard Engels leren.
- Hij heeft altijd Japans willen leren.
- Een vreemde taal leren is moeilijk.
- Niemand is te oud om te leren.
- We hebben nog veel te leren.
- Ik hou niet van onregelmatige werkwoorden leren.
- Russisch is erg moeilijk te leren.
- Blij u te leren kennen, Ken.
- Hij wil graag wat Engelse liedjes leren.
- Ik heb haar leren kennen in Londen.